Home | Profeten

Het Volk van Loet


Antwoord: 

Loet (A.S.) is de zoon van Harran. Toen Hz. Ibrahim (A.S.) zijn leefgebied verliet, nam hij zijn neef Loet (A.S.) mee naar het Harran gebied. Echter na een tijd ging hij naar het Sodom gebied om daar zijn profeetschap te ontvangen en vervolgens de mensen daar de Goddelijke boodschap over te brengen.

Het volk waar Loet (A.S.) als profeet naar was verzonden, was te ver gegaan op het gebied van onfatsoenlijkheid en vulgariteit. Deze mensen hadden wellust tegenover mannen in plaats van vrouwen, en ze uitten dit openbaar en zonder zich er voor te schamen. Dit gevoel dat tegen de menselijke aard gaat, zorgde ervoor dat deze mensen zich op een lager niveau bevonden dan dieren.

Om deze mensen van zulk soort activiteiten te ontnemen en hen naar het rechte pad te leiden, heeft hij de bevelen van Allah hen verteld. Dit volk pleegde zulke lelijke daden dat voor hen geen enkel andere volk had gepleegd. Hij verzocht zijn volk om verstandig te zijn en om deze lelijke daden te verlaten. Wat zij deden paste noch bij de religie, noch binnen de menselijkheid. Loet (A.S.) verzocht zijn volk om met hun echtgenotes te zijn zoals Allah dat heeft toegestaan.

Het bovenvermelde wordt duidelijk met de volgende verzen:

“Vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij.”
“Nadert gij van alle schepselen de mannen?”
“En verlaat gij uw vrouwen, die uw Heer voor u heeft geschapen? Neen, gij zijt een volk dat de perken te buiten gaat”
“Waarlijk, ik veracht uw handelwijze.” (1)
“Gij verricht een gruweldaad die niemand onder het mensdom ooit vóór u heeft begaan.” (2)

Ondanks de waarschuwingen van Loet (A.S.) luisterde zijn volk niet naar hem en gingen ze door met hun lelijke daden. Hierop zei Loet (A.S.) dat als zij hun daden zouden voortzetten, zij een Goddelijke bestraffing zouden ondergaan. “Nadert gij mannen met wellust en rooft gij op de weg, en begaat gij zelfs gruweldaden in uw bijeenkomsten?" Maar het antwoord van zijn volk was niet anders dan dat zij zeiden: "Breng de straf van Allah over ons als gij de waarheid spreekt.” (3)

Nadat Loet (A.S.) had gezien dat er niks anders meer te doen was, begon hij smeekbedes te verrichten aan Allah.

"Mijn Heer, red mij en mijn familie van hetgeen zij doen." (4)
“Help mij mijn Heer, tegen het volk dat onheil sticht." (5)

Om het wellustige volk zijn verdiende straf te geven, heeft Allah drie engelen de opdracht gegeven om deze taak te vervullen en hen naar Loet (A.S.) gestuurd. Toen Loet (A.S.) aan het werk was in zijn akker, zag hij deze Engelen voor het eerst en vroeg hij hen waarom ze hier waren. Zij zeiden dat ze hier als gast bij hem waren gekomen. Toen hij zich opeens herinnerde wat voor lelijke daden zijn volk had gedaan, begon hij zich zorgen te maken over deze gasten die de gedaantes hadden aangenomen van knappe jongeren. Loet (A.S) had nog geen kennis genomen dat deze personen in werkelijkheid Engelen waren. Hij begon zich zorgen te maken over hen. Het volk kon ze schade aanbrengen als ze hen zagen.

Loet (A.S.) vertelde aan zijn gasten die hij nog niet kende over de slechte eigenschappen van zijn volk. Toen hij het had over hun perverse daden, herhaalde hij dit vier keer. Deze situatie is tegelijkertijd ook een getuigenis van de boodschapper van Allah tegen de rechtvaardige straf. Toen hij dit vertelde, zei Gabriel (A.S.), die een van de gasten was, tegen zijn vrienden: “wees getuige.”

In de tussentijd vond misschien het ergste verraad plaats. Loet (A.S.) liet zijn gasten aan niemand zien om zo ervoor te zorgen dat ze niets overkwam. Maar zijn vrouw liet het volk weten van de gasten. Het volk verzamelde zich snel en eiste dat Loet (A.S.) de gasten aan hen moest overhandigen. Geschokt tegenover deze eis zei Loet (A.S.): "O, mijn volk, dit zijn mijn dochters, zij zijn reiner voor u. Vrees daarom Allah en onteer mij niet wegens mijn gasten. Is er onder u geen weldenkend man?" (6)

Ondanks alle inspanningen, luisterden ze niet naar hem. Loet (A.S.) zei: “Ach, had ik slechts de macht u weerstand te kunnen bieden of tot een machtige steun toevlucht te nemen." (7)

Hij wist nog steeds de ware identiteit van zijn gasten niet. Zij (de boodschappers) zeiden:

"O Loet, Wij zijn de boodschappers van uw Heer, zij zullen u stellig niet bereiken. Vertrek met uw familie gedurende de nacht, laat niemand uwer omkijken dan uw vrouw. Zeker zal haar overkomen wat hun gaat overkomen. Voorwaar, de vastgestelde tijd is de ochtendstond. Is de morgen niet nabij?"(8)

Toen Ons gebod kwam, keerden Wij die stad ondersteboven en Wij deden er brokken klei laag boven laag op regenen.

Share this