Home | Mohammed

Kunnen jullie mij informatie geven over de periode van profeetschap van onze Profeet?


Antwoord: 

Toen de Boodschapper van Allah (vzmh) de leeftijd van veertig jaar had bereikt, verleende Allah de Almachtige hem het profeetschap met het gebod: “Lees! In de naam van jouw Heer, Die [alles] heeft geschapen."1

In de eerste dagen na de aankondiging van zijn profeetschap verzamelde de Boodschapper van Allah (vzmh) de mensen van de Qurạysh-stam en vroeg hij hun, vanaf een rots op de heuvel van Safā: “O gemeenschap van Qurạysh! Als ik jullie zou vertellen, dat zich aan de rand van deze berg of in die vallei daar een vijandelijk leger ophoudt, dat op het punt staat om jullie aan te vallen en jullie bezittingen in beslag te nemen, zouden jullie mij dan geloven?” Zonder te aarzelen antwoordden zij: “Ja, wij zouden jou geloven, want jij hebt ons altijd de waarheid verteld. We hebben jou nog nooit horen liegen!”

Hierop verklaarde de Boodschapper van Allah (vzmh) dat hij een profeet was, gestuurd door Allah. Duidelijk geëmotioneerd vertelde hij aan de mensen dat, indien zij in zijn woorden zouden geloven en een goed leven zouden leiden in overeenkomst met de geboden van Allah, zij zouden worden beloond met de meest royale giften en geschenken in het Hiernamaals. Hij vertelde ook dat de ongelovigen een pijnlijke bestraffing tegemoet zouden kunnen zien. Hij verduidelijkte hun dat het noodzakelijk was om zich tijdens het wereldse leven op het eeuwige leven voor te bereiden. Hij kwam er echter al snel achter dat het erg moeilijk zou zijn om mensen zich af te doen keren van hun verkeerde geloofsovertuigingen.2

De Boodschapper van Allah (vzmh) liet vanaf die dag geen moment onbenut om zijn mensen uit te nodigen tot de waarheid, ongeacht hun afkeer en hun tegenwerking. Hij ging van deur tot deur, hij bezocht de pelgrims en de markten, en hij trachtte mensen uit te nodigen tot het rechte pad bij iedere gelegenheid die zich voordeed. Hij wist niet van opgeven en hij liet zich niet kennen door moeilijke situaties, hij vertelde hen steeds opnieuw dezelfde waarheden, zelfs tegen de mensen die zich jegens hem op de meeste vijandige wijze gedroegen. Door mensen te vertellen: “Geen beloning vraag ik jullie voor deze Koran, noch behoor ik tot degenen die zich anders voordoen dan ze zijn”3 , maakte hij de mensen duidelijk dat hij de Islam alleen omwille van Allah verspreidde.

De Boodschapper van Allah (vzmh) was ongeletterd; zoals vele mensen in zijn tijd kon hij niet lezen of schrijven. Het was dus voor hem niet mogelijk om geschreven teksten van anderen over te nemen of boeken te lezen, om vervolgens de inhoud daarvan aan mensen te verkondigen. Voor een ongeletterd persoon is het alleen mogelijk om, na zijn veertigste jaar, vanuit het niets zulke belangrijke informatie, van een zodanig hoog niveau en van een zodanige welbespraaktheid te verkondigen, indien deze hem via openbaringen zijn gegeven. Zelfs zijn vijanden in die tijd waren op de hoogte van zijn ongeletterdheid en erkenden de uniekheid van zijn boodschap. De Koran zegt: “Jij hebt tevoren geen boek voorgelezen, noch met je rechterhand opgeschreven; dan zouden zij die valsheid volgen [reden hebben om te] twijfelen."4

De afgodenaanbidders waardeerden de moraal van onze Profeet (vzmh) en waren bereid te accepteren dat hij geen leugens verkondigde. Echter, zij waren niet bereid om hun onrechtmatig verkregen wereldse belangen en hun lichamelijke begeertes achter zich te laten.

Op een dag stopte de Boodschapper van Allah (vzmh) bij Ạbū Jạhl en zijn naaste vrienden, die aartsvijanden van de Profeet waren. Zij zeiden: “O Muhammed! Bij Allah, wij maken jou niet uit voor een leugenaar, jij bent volgens ons een zeer waarheidlievend persoon. Echter, wij ontkennen de verzen waarmee jij aankomt."5

De afgodenaanbidders probeerden alles om de Profeet (vzmh) ertoe over te halen met zijn missie te stoppen. Ze vroegen zijn geliefde oom om tussen hen te bemiddelen. Zij benaderden onze Profeet (vzmh) met aantrekkelijke voorstellen, zoals hem tot koning te kronen, geld voor hem te verzamelen en hem de rijkste man onder hen te maken, hem te laten trouwen met de prachtigste vrouwen. Zij zeiden: “Wij zijn bereid om voor jou alles te doen wat je van ons vraagt.” De Boodschapper van Allah (vzmh) gaf zijn antwoord op een duidelijke en heldere manier: “Ik wil helemaal niets van jullie. Noch goederen, noch materiële zaken, noch koningschap, noch leiderschap! Het enige wat ik wil is dit: stop met het aanbidden van beelden en aanbid Allah, de Enige!”.6

Toen de afgodenaanbidders zich realiseerden, dat zij niet tot een compromis met de Boodschapper van Allah (vzmh) konden geraken, richtten zij zich geheel op vijandige handelingen. Met de dag voerden zij de onderdrukking en de martelingen van de moslims op. Sommige moslims migreerden naar Ethiopië, dat in die tijd op een meer rechtvaardige manier werd geregeerd.

De afgodenaanbidders verbraken alle menselijke relaties met de moslims en met hun beschermers, de Bạnū Hāshim, de stam van de Profeet (vzmh), hetgeen eveneens inhield dat gemengde huwelijken en civiele transacties waren verboden. Zij legden hun actie vast in een geschreven verdrag, dat zij bevestigden op de muur van de Kaäba. Deze boycot en dit embargo werden gedurende drie jaar voortgezet, waarbij de intensiteit ervan toenam: de moslims hadden sterk te lijden van de honger en van andere problemen die de verslechterende situatie met zich meebracht.

De Boodschapper van Allah (vzmh) begaf zich, samen met Zạyd ibn Hārithạh (r.a), naar de stad Tāif, 160 kilometer van Mekka verwijderd. Hij bleef daar gedurende tien dagen en sprak met de leiders van de stam van Thaqīf, waarvan sommige tot de familie van zijn moeder behoorden, om hen ertoe te bewegen hem steun te verlenen. Maar ook door hen werd hij bespot en belasterd. Uiteindelijk stuurden zij zelfs slaven en kinderen naar wegen waar de Boodschapper van Allah langskwam, welke stenen naar hem gooien en hem beledigden. Zelfs geconfronteerd met deze afschuwelijke daad vervloekte de Profeet hen niet, ook al bloedde hij zo hevig, dat zijn sandalen aan zijn voeten bleven plakken.

In plaats daarvan bad hij voor hen: “O Allah! Ik lucht mij hart bij Jou, vanwege mijn verminderde krachten, vanwege mijn hulpeloosheid, omdat ik in de ogen van de mensen als waardeloos en minderwaardig word beschouwd. O Meest Genadevolle! Indien Jij niet boos op mij bent, maak ik mij geen zorgen over mijn problemen! O mijn God! Geef mijn volk leiding, zij weten het niet. O mijn God! Ik vraag hier om Jouw vergiffenis, totdat Jij tevreden bent gestemd."7

De Boodschapper van Allah (vzmh) beschrijft zijn terugkomst van Tāif als volgt: “Ik bevond me op de weg terug en wandelde in diep verdriet verder. Ik kon niet tot mijzelf komen totdat ik belandde op een plaats genaamd Qarn ạl-Sạālib. Toen ik mijn hoofd daar omhoog richtte, zag ik dat een wolk mij overschaduwde. Toen ik nog zorgvuldiger keek, bemerkte ik in de wolk Djibrīl.

Hij zei tegen mij: ‘De Almachtige God heeft gehoord wat jouw volk tegen jou heeft gezegd en hoe zij hebben geweigerd om jouw bescherming te bieden. Hij heeft de Engel van de Bergen tot jou gezonden, opdat je hun kan aandoen wat je hun wenst aan te doen.’

Toen begroette de Engel van de Bergen mij en zei: ‘O Muhammed! De Almachtige Allah heeft mij gezonden om te doen wat jij wenst. Wat wil je dat ik doe? Indien je dat wenst, kan ik deze twee bergen op hun hoofden doen ineenstorten.’ Toen zei ik: ‘Nee, ik bid tot de Almachtige God, dat Hij nakomelingen doet voortkomen uit hun bloedlijnen, die alleen Hem aanbidden en geen partners aan Allah toekennen’."8

In die dagen werd een groep mensen afkomstig uit Medina moslim. Deze mensen begonnen in Medina met het prediken van de Islam en vroegen onze Profeet (vzmh) om iemand te sturen in het bezit van kennis. Mus’ab ibn Umạyr werd hiertoe aangewezen en binnen de kortst mogelijke tijd was er geen huis meer in Medina te vinden waar de Islam niet was binnengetreden. Nadien nodigden zij de Boodschapper van Allah (vzmh) zelf uit om naar Medina te komen en beloofden zij dat ze hem zouden beschermen.9

 


[1] De Koran, ạl-Alaq, 96: 1.

[2] Zie Sahīh ạl-Bukhārī, Tạfsīr, 26/2; Musnạd Ahmạd bin Hanbạl, I, 159, 111.

[3] De Koran, Sād, 38: 86.

[4] De Koran, ạl-Ankabūt, 29: 48.

[5] ạl-Wāhidī, Ạsbāb ạl-Nuzūl, p. 219; Sunạn ạl-Tirmizī, Tạfsīr, 6/3064.

[6] Ibn Kạthīr, ạl-Bidāyạh wạ ạl-Nihāyạh, III, 99-100.

[7] Ibn Hishām, ạl-Sīrah ạl-Nạbạwiyyạh, II, 29-30; ạl-Hạythạmī, Majma' ạl-Zạwā'id wạ Mạnba’ ạl-Fawā'id, VI, 35.

[8] Sahīh ạl-Buchārī, Bạd ạl-Chalq, 7; Sahīh Muslim, Jihād, 111.

[9] Islam, Dr. Murat Kaya

Share this