Home | Het geloof

Kunt u ons informeren over degene die zeggen dat ze moslim zijn en geloven, maar het gebed nalaten?


Antwoord: 

Een persoon die in de Islam gelooft, hoort zijn gebed uit te verrichten en volgens zijn geloof te handelen. Maar een persoon die niet praktiseert, wordt een zondaar. Een persoon die een zonde begaat, treedt niet uit het geloof.

In het vers, ''Indien jullie grote zonden, die verboden zijn, vermijden zullen Wij jullie fouten uitwissen en zullen Wij jullie naar een eervolle plaats (het Paradijs) leiden.'' (1) wordt er vermeld dat een gelovige naast het uitvoeren van de geboden, zich ook moet onthouden van de grote zonden om zodoende het paradijs te winnen.

De grote zonden waarvan Allah de Verhevene wil dat we vermijden en ver van blijven, is in de Edele Koran en Hadith van de Profeet (v.z.m.h.) duidelijk vermeld. Bijvoorbeeld in een vers wijzend op de grote zonden wordt het volgende gezegd:

''En degenen die niet naast Allah een andere god aanroepen en die niemand doden, waarvan (het doden) door Allah verboden is, behalve volgens het recht. En die geen ontucht plegen, want wie dat doet zal een bestraffing ontmoeten.'' (2)

In een hadith die door Enes (moge Allah tevreden over hem zijn) wordt overgeleverd, somt de Profeet (v.z.m.h.) de grote zondes als volgt op: Deelgenoot toekennen aan Allah (shirk), onrecht doen aan je moeder en vader, iemand vermoorden en liegen.'' (3)

In een andere hadith is liegen en vals getuigenis afleggen ook als grote zonden vermeld. (4)

Tevens bevinden zich er onder de grote zonden zeven grote zonden die zwaarder wegen en dat door onze Profeet (v.z.m.h.) ''mûbikât-ı seb’a'' worden genoemd; deze zonden leiden tot de spirituele ondergang van de mens.

Onze profeet zei een keer ''vermijd de zeven dingen dat tot jullie ondergang kunnen lijden.'' en somde deze als volgt op:

Deelgenoot toekennen aan Allah, magie praktiseren, ten onrechte iemand doden, het bezit van een wees eigenen, rente gebruiken, tijdens het aanval van een vijand wegrennen van de oorlog en eervolle en eenzame vrouwen lasteren van ontucht.'' (5)

Tevens in een andere overlevering worden de volgende grote zondes genoemd: ''Alcohol benuttigen, gokken en voorstander zijn van nieuwe innovaties dat het geloof schaden.'' (6)

Zonde betekent in opstand komen tegen Allah. Vooral degene die onoplettend en zich blindelings begeven in het plegen van grote zonden, keren zich tegen de wil van Allah en vergeten zij Zijn heerschappij op dat moment. Daarom dient een moslim zich te beschermen tegen de grote zonden om niet in deze gevaarlijke toestand te belanden. Dit is alleen mogelijk door Godvrezendheid (taqwa: dus je van de verboden van Allah en zonden onthouden) en goede daden verrichten (Amel-i salih, dus goede daden verrichten en handelen volgens de geboden van Allah). Daarom is taqwa het meest stevige kasteel waarin we ons kunnen schuilen en toevlucht moeten zoeken. Degenen die schuilen in dit kasteel, kunnen met heel weinig inspanning veel verdienen, omdat het vereiste (wadjib) is je te beschermen tegen de haraam. En in het vereiste bevinden zich vele beloningen die zwaarder opwegen dan vele soennah. Dus in deze tijden van overstromingen van zonden is het van belang voor de gelovige om zijn belangrijkste taak als “zich van de zonden te weerhouden.” (7)

Komend op de relatie van zonden met het geloof, is het bekend dat men voor het geloof (Iman) de fundamenten waarin gelooft moet worden met zijn hart aanvaardt, goedkeurt en met zijn mond dit openlijk zegt. Degene die de fundamenten van het geloof met zijn hart aanvaardt en het met zijn mond openlijk zegt, is een gelovige bij Allah en de mensen. Als deze persoon zelfs een grote zonde begaat, wordt hij niet afvallig/ongelovig. Want volgens de geleerden van Ahli al Soennah maakt Amel (de daad) geen deel uit van het geloof (iman). Een moslim die een grote zonde begaat, doet dit niet uit ongeloof, maar omdat hij bezweken is aan zijn ego en door gehoor te geven aan zijn lusten.

Immers: beloningen voor het gehoorzamen van de geboden van Allah de Verhevene, dus het uitvoeren van de aanbiddingen en onthouden van zijn verboden, worden op deze wereld niet volledig gegeven. Dit, omdat de wereld geen plek van beloning en prijzen is, maar een plaats van dienst en aanbidding. In dit opzicht stelt Allah de Verhevene de ware beloningen voor aanbidding en dankbaarheid uit naar het hiernamaals.

Net zoals dat de beloningen zijn uitgesteld, zijn ook de bestraffingen voor de zonden waarvoor geen vergiffenis is gevraagd op deze wereld, uitgesteld naar het hiernamaals. Omdat een zonde niet meteen vervolgd word met een bestraffing, laat dit de mens in dwaling en doordat hij de toekomst heel ver weg ziet, blijft zijn nederlaag tegen zijn ego aanhouden. In het kort vat Said Nursi deze toestand van de mens als volgt samen:

Het ego van de mens geeft de voorkeur aan een gram direct plezier dan een kilo uitgesteld plezier. Net zoals hij meer vreest en terugdeinst van een ogenblikkelijke klap dan voor een jaar bestraffing dat nog zal toekomen. En als de gevoelens overheersen bij de mens, dan luisteren zij niet naar de redenering van het verstand. Als opwelling en verbeelding overheersen, wordt voorkeur gegeven aan een ogenblikkelijk, onbelangrijk en klein plezier dan voor een werkelijk grote beloning die nog zal volgen. En van een directe leed deinst hij meer terug dan een grote bestraffing die nog zal toekomen. Want verbeelding, opwelling en gevoelens kunnen niet vooruit kijken. Misschien ontkennen zij zelfs wat nog komen zal. En als het ego meehelpt, dan zwijgen en bezwijken de plekken van Iman, het hart en verstand. Dus in deze situatie komt het plegen van grote zonden niet voort uit ongeloof, maar doordat de gevoelens en opwellingen het verstand en hart overheersen (8). Het is dan ook niet mogelijk om over een gelovige die een van de grote zonden heeft begaan te zeggen dat hij tot de ongelovigen hoort.

Tevens is het in de volgende hadith duidelijk dat een gelovige die een grote zonde begaat, niet ongelovig word. Nadat hij zijn straf heeft uitgezeten, de hemel zal binnentreden. Onze Profeet (v.z.m.h.) zegt: “Naar mij kwam Djibriel en verkondigde het volgende ''Wie dan ook in jouw ummah die overlijd zonder ooit deelgenoot te hebben toegekend aan Allah, zal het paradijs binnentreden''. Vervolgens vroeg ik: en als hij ontucht en diefstal pleegt? Ja, ook als hij ontucht en diefstal pleegt.'' (9)

Zoals bekend komt een ongelovige niet in het paradijs en zal voor eeuwig in de hel lijden. Want Allah de Verhevene heeft de beloningen van het paradijs voor hen verboden. Door aan te geven dat een ontuchtpleger en dief het paradijs zullen binnentreden, wordt er op gewezen dat zij niet ongelovig zijn.

Dus dat betekent dat behalve het toekennen van deelgenoten aan Allah, degene een gelovige blijft bij het plegen van de grote zonden. Na zijn bestraffing voor de zonden zal die persoon het paradijs binnentreden.

Maar de zondaar mag niet geloven dat de gepleegde zonde halal (toegestaan) is. Een persoon die een zonde halal en als toegestaan verklaart, waarvan met bewijzen vaststaat dat het een zonde is, zal zeker ongelovig worden. Bijvoorbeeld beweren dat rente niet haram is en/of rente niet haram is in deze tijden.

Hierbij moeten we het volgende ook niet vergeten; ''in elke zonde bevindt zich een weg die tot ongeloof kan leiden'' (10). In de aard van de zonden wanneer ze voortdurend gepleegd worden, bevindt zich een zaad van ongeloof. Dit word door Bediuzzaman als volgt uitgelegd;

In de aard van zonden, vooral bij herhaling, bevindt zich een zaad van ongeloof. Want degene die de zonde voortdurend pleegt, went eraan, waarna hij er verliefd en verslaafd aan wordt. Tot op het moment dat hij het niet kan verlaten. Hierna zal hij wensen niet bestraft te worden voor de begane zonden. En als deze toestand aanhoudt, dan bloeit dit zaad van ongeloof verder. Dit kan zelfs leiden tot het ontkennen van de hel en/of bestraffing..'' (11)

Doordat we allen mens zijn, is het onmogelijk om ons volledig van de zonden te beschermen, waarbij het risico van dit gevaar ten allen tijden aanwezig is. Bij blootstelling aan deze gevaren -ongeacht klein of groot- dienen we vervolgens meteen berouw en spijt te tonen jegens Allah. We behoren met tawba en istigfar ons te richten op Allah en vragen om vergiffenis.

Share this